Onderzoeksmethodieken

Welke onderzoeksmethodieken zijn er?

De piramide van evidence is gebaseerd op de kwaliteit van een onderzoek:

De diverse onderzoeksontwerpen die er bestaan en de mate waarin een bepaald onderzoeksontwerp in staat is systematische fouten (bias) in onderzoek te voorkomen. Een systematische fout (bias) in onderzoek vertekent de resultaten van het onderzoek. Een onderzoeksopzet die minder kans geeft op fouten, staat hoger in de hiërarchie van onderzoek. We lichten de verschillende onderzoeksmethodes kort toe.

Een experiment of randomized controlled trial (RCT)

Het kenmerkende van experimenteel onderzoek is, dat de vermoedelijke oorzaak door de onderzoeker zelf in het onderzoek geïntroduceerd wordt. Vervolgens wordt door het onderzoek bekeken of het verwachte gevolg plaats vindt. Bijvoorbeeld bij het testen van een medicijn voor hoge bloeddruk, geeft de onderzoeker een deel van de mensen het medicijn (onderzoekspopulatie) en kijkt of de bloeddruk daalt en of het risico op hart- en vaatziekten afneemt. Bij een experiment of RCT is er verder sprake van een controlegroep. Dit is een groep patiënten die het medicijn niet krijgt of een placebo krijgt én van randomisatie, dat wil zeggen dat niet (de mensen zelf) de zorgverlener of onderzoeker bepaalt wie het medicijn in het onderzoek krijgt maar het lot bepaalt dit. In principe moeten bij een experiment alle eigenschappen van de onderzoekspopulatie hetzelfde zijn als die van de controlegroep, behalve het te onderzoeken medicijn. Als dit niet zo zou zijn dan kan er vertekening optreden in het onderzoek, bijvoorbeeld doordat mensen die meer gezondheidsrisico’s hebben (zoals veel overgewicht) meer in de onderzoekspopulatie voorkomen, waardoor de effecten van het medicijn beïnvloed kunnen worden. Vertekening in onderzoek noemt men bias. In dit geval treedt vertekening op door selectie van mensen in de onderzoekspopulatie (bv. meer mensen met overgewicht) en dan spreekt men van selectiebias.
De controlegroep wordt gebruikt om de kijken of het effect niet door een natuurlijk beloop plaats vindt en ook wel echt toe te schrijven is aan hetgeen men wil onderzoeken bv. medicatie.
Omdat niet werkzame interventies een placebo effect kunnen hebben (effect dat wordt veroorzaakt alleen al door het idee dat je een medicijn krijgt), is het gewenst om in de controlegroep een placebo aan te bieden dat niet te onderscheiden is van het echte medicijn). De patiënten weten dan niet of ze het echte medicijn krijgen of het placebo. Dit heet blindering. Ook de zorgverlener kan door zijn enthousiasme voor het nieuwe medicijn bij de patiënt placebo effecten teweeg brengen, daarom is het beter dat de zorgverlener ook niet weet welke patiënt het echte medicijn krijgt en welke het placebo. Dit noemt men een dubbel blind onderzoek. Blindering is niet altijd mogelijk. Bij onderzoek naar medicijnen gaat het wel, maar bij andere interventies is dit lastiger, bv. bij een nieuw soort wondbehandeling.

Bron:

  • Frederiks, C.M.A., te Wierik, M.J.M. (2004). Verpleegkundig onderzoek. Inleiding in methoden en technieken. Dwingeloo: Kavannah.

Cohort onderzoek

Bij dit type onderzoek is er geen sprake meer van een inteventie of manipulatie. De onderzoeker doet zijn onderzoek in een zich ‘spontaan’ ontwikkelende werkelijkheid. Er wordt dan van een observationeel onderzoek gesproken in tegenstelling tot een experimenteel onderzoek. Voor alle oorzaken waarvan we veronderstellen dat ze schadelijk zijn, is experimenteel onderzoek uitgesloten. Een voorbeeld is de overdracht van AIDS via geslachtsverkeer. Men kan als onderzoeker geen risicovol geslachtsverkeer of onthouding dwingend opleggen. Wel kan men twee groepen mensen met verschillende seksuele gewoonten in de tijd volgen, men spreekt dan van prospectief cohort onderzoek,  en nagaan hoeveel mensen in beide groepen met AIDS besmet worden. Je weet echter als onderzoeker dan niet zeker of de mensen die in een bepaalde groep zitten ook daadwerkelijk doen wat ze zeggen. Mogelijk wil iemand niet zeggen dat hij risicovol geslachtsverkeer heeft gehad. Daarnaast zijn de groepen ook niet altijd goed vergelijkbaar. Onthouders hebben mogelijk andere gewoonten die ook samenhangen met AIDS besmetting bv. het al dan niet gebruiken van intraveneuze drugs.  Sterke kanten van dit soort onderzoek zijn dat onderzoek naar de invloed van mogelijk schadelijke factoren mogelijk wordt gemaakt en dat men onderzoek doet in de ‘natuurlijke’ richting. Men onderzoekt van oorzaak naar gevolg. Dit kan echter bij een langzame ontwikkeling van het gevolg wel weer met zich meebrengen, dat dit soort studies erg lang gaat duren en daardoor erg kostbaar wordt.  In dit laatste geval kan ervoor gekozen worden om een cohortonderzoek te doen, waarbij men terugkijkt in de tijd. Een retrospectief cohort onderzoek. Men redeneert dan wel nog van oorzaak naar gevolg. Maar de oorzaak wordt bestudeerd in het verleden, bv. bij het zoeken naar een relatie tussen asbest en een specifieke vorm van longkanker, mesothelioom. Men zoekt in registratiesystemen naar mensen die in het verleden in  mijnen hebben gewerkt met asbest. Daarna gaat men kijken naar de mensen uit deze groep die mesothelioom hebben gekregen en naar mensen die niet in de mijnen hebben gewerkt en geen mesothelioom hebben gekregen.

Bron: Frederiks, C.M.A., te Wierik, M.J.M. (2004). Verpleegkundig onderzoek. Inleiding in methoden en technieken. Dwingeloo: Kavannah.
Bouter, L.M., van Dongen, M.C.J. M., Zielhuis, G.A. (2010). Epidemiologisch onderzoek. Opzet en interpretatie. Houten: Bohn, Stafleu van Loghum.

Patiënt controle onderzoek ( case controlled)

Bij een patiënt controle onderzoek redeneert men niet van oorzaak naar gevolg zoals bij de eerder genoemde onderzoeksontwerpen, maar men redeneert van gevolg naar oorzaak. Ook bij dit onderzoek doet men onderzoek ‘in het verleden’  net als bij het retrospectief cohort onderzoek. Een voorbeeld van een patiënt controle onderzoek is bijvoorbeeld het achterhalen van oorzaken van een postnatale depressie. Men vergelijkt hierbij een groep moeders die hieraan lijdt, met een groep vrouwen die hier na een bevalling geen last van hebben, op omstandigheden tijdens of voor de zwangerschap die mogelijk bijgedragen hebben aan de depressie. Men moet bij dit onderzoek wel voorzichtig zijn, de moeders die wel aan depressie lijden, hebben zich ongetwijfeld vele malen afgevraagd waarom juist hen dit nu overkomen is. Zij zullen zich daardoor wellicht allerlei zaken herinneren die de gezonde moeders al lang vergeten zijn. Bij het bevragen van beide groepen geeft de patiëntengroep waarschijnlijk veel gedetailleerder antwoord dan de controlegroep. Er is hierbij sprake van een systematische fout, die in dit geval ook wel informatiebias wordt genoemd. Hierdoor kan bij analyse ten onrechte naar voren komen, dat deze door gezonde moeders vergeten maar wel meegemaakte omstandigheden als verdachte oorzaken kunnen worden aangemerkt.

Bron: Frederiks, C.M.A., te Wierik, M.J.M. (2004). Verpleegkundig onderzoek. Inleiding in methoden en technieken. Dwingeloo: Kavannah.
Bouter, L.M., van Dongen, M.C.J. M., Zielhuis, G.A. (2010). Epidemiologisch onderzoek. Opzet en interpretatie. Houten: Bohn, Stafleu van Loghum.

Transversaal onderzoek ( survey)
Om van een grote groep mensen informatie te krijgen, die in eerste instantie dient voor beschrijvend onderzoek, wordt wel de survey of enquête gebruikt. Bij dit onderzoek worden alle variabelen op één moment in de tijd gemeten. Hierdoor leent dit onderzoek zich niet voor uitspraken over oorzaak en gevolg. De onderzoekspopulatie is een afspiegeling van de grotere populatie waarover uitspraken gedaan worden. Voorbeelden van dit soort onderzoeken zijn de vooronderzoeken of polls voor verkiezingen.

Bron: Frederiks, C.M.A., te Wierik, M.J.M. (2004). Verpleegkundig onderzoek. Inleiding in methoden en technieken. Dwingeloo: Kavannah.